Roselyne van der Heul, foto door Lisanne Lenkink

Een reflectie op de rol van leren in de publieke ontwerppraktijk door Roselyne van der Heul. Roselyne werkt voor PONT als ‘impactversterker’: ze sluit aan bij bestaande samenwerkingen tussen de overheid en ontwerpers, om te leren wat er goed gaat, wat er beter kan en ze een duwtje in de rug te geven.

 

 

 

Ik sta in het donker voor de deur van mijn schuur en grabbel in het voorvak van mijn rugzak. Mijn eigenwijze sleutels laten zich weer eens niet vinden op de plek waar ik ze gelaten had. Hoe langer het duurt om ze te vinden, hoe gestresster en chaotischer ik achter de verschillende ritsjes van mijn rugzak grabbel. De buurvrouw is haar hond aan het uitlaten en schiet me te hulp door met het lampje van haar telefoon in mijn rugzak te schijnen terwijl ze me tot kalmte maant en me systematisch elk vakje laat doorzoeken. En terwijl we daar zo staan te rommelen, bedenk ik me wat een grappige metafoor we vormen.

Zoeken tussen de vakjes en laagjes van het systeem

Want in mijn rol binnen PONT voel ik me vaak die buurvrouw, schijnend met een hulplampje in verschillende vakjes en laagjes van een systeem. Als ‘impactversterker’ onderzoek en versterk ik ontwerpende samenwerkingen binnen de overheid. Mijn eigen “lampje” richt zich daarbij op de leerinfrastructuur en -processen die nodig zijn om zinvol samen te werken aan complexe vraagstukken. 

‘Complex’ is een trending term die te pas en te onpas wordt gebruikt. Binnen PONT bedoelen we ermee dat een vraagstuk een ambigu, verweven, grillig en open karakter heeft. We beginnen als samenleving steeds beter te leren wat complexiteit betekent voor ons doen en laten in dat soort vraagstukken. Tegelijkertijd verwachten we van onze publieke instituties nog steeds dat ze de oude illusies van zekerheid, controleerbaarheid en lineaire stuurbaarheid in stand houden. Dit verwachtingspatroon laat weinig ruimte voor het meest behulpzame navigatie-instrument in complexe vraagstukken: bewuste en gedeelde leerprocessen. 

Optimaliseren van het oude

Via empatisch onderzoek, experiment, iteratie en verbeelding helpt een Ontwerpende Aanpak de ruimte te vergroten voor leren als sturingsprincipe. Helaas wordt de invulling van deze leerruimte, ook in een Ontwerpende Aanpak, nog te weinig mee-ontworpen. De blinkende piketpaaltjes van experiment en verbeelding contrasteren dan met het onverlichte leerveld dat er wat verwaarloosd tussen ligt. Ook in het donker wordt er heus van alles geleerd, alleen weet niemand precies hoe we de opgedane inzichten kunnen combineren tot iets groters. Zo blijven we – zelfs met een ontwerpende aanpak – makkelijk steken in het optimaliseren van het oude, waar diepere vormen van verandering nodig zijn. 

Omdat de illusie van lineair stuurbare processen steeds meer in de weg zit bij de complexe vraagstukken van onze tijd, loont het om de leerruimte die een ontwerpende aanpak biedt bewuster te belichten en benutten.

Er wordt van alles geleerd, alleen weet niemand precies hoe we de opgedane inzichten kunnen combineren tot iets groters. Zo blijven we - zelfs met een ontwerpende aanpak - makkelijk steken in het optimaliseren van het oude, waar diepere vormen van verandering nodig zijn. 

Leren in de jeugdgevangenis

Een van de praktijken waarin ik voor PONT als impactversterker zelf mocht “bijschijnen”, speelt zich af in de Rijks Justitiële Jeugd Inrichting (RJJI), oftewel de jeugdgevangenis. Dit is een context waarin het spanningsveld tussen de oude sturingsparadigma’s en de mismatch met de complexe realiteit voelbaar is. Jeugdgevangenissen voeren een pedagogische opdracht uit in een gesloten, gefragmenteerd en bovengemiddeld geïsoleerd systeem met dwang als prominent sturingsmiddel voor gedrag. Dit systeem kampt met groeiende personeelstekorten en moet opereren in een samenleving die zich steeds harder opstelt richting de doelgroep. Deze ingrediënten passen slecht bij de waarden die van belang zijn voor kansrijke leerprocesssen: openheid, autonomie, verbinding en vertrouwen tussen mensen, afdelingen en organisaties.

Organisatielogica en -structuren groeien en stollen in decennialange processen. Het verschil tussen de onderliggende bedoeling van een werkveld en de gestolde structuur eromheen, kan zo groot worden dat een systeem vastloopt. Dan is ruimte voor benaderingen die recht doen aan complexiteit en de ambiguïteit van leren essentieel. Systemen veranderen niet omdat een minister, manager of medewerker vindt dat ze moeten veranderen. Ze veranderen wanneer relaties veranderen en er beweging komt via wederzijdse en gezamenlijke leerprocessen. Ontwerpende benaderingen kunnen op een krachtige manier ruimte maken voor die beweging en dat leren. Het is dan ook hoopvol dat de Ontwerpende Aanpak steeds steviger begint te wortelen en bloeien binnen de Dienst Justitiële Inrichtingen. Toch is een ontwerpende aanpak op zichzelf niet genoeg als het leerproces niet bewust wordt mee-ontworpen.

foto door Marieke Odekerken

Vorm als drager van leerprocessen

In deze praktijk in de RJJI werkten interne en externe ontwerpers – samen met gedetineerde jongeren en gevangenismedewerkers – aan het versterken van de leer- en ontwikkelkansen tijdens “kamertijd”. Dit is de tijd dat jongeren opgesloten zitten op hun kamer en er geen mogelijkheid is voor groepsactiviteiten. Het doel was om jongeren ondanks personeelskrapte toch voldoende ontwikkelmogelijkheden aan te kunnen bieden. Voortvarend organiseerden de ontwerpers rondes van empathisch onderzoek, co-creatie en experiment. Dit soort gezamenlijke en iteratieve ontdek- en maakprocessen kunnen beweging brengen en ruimte maken voor leren op verschillende lagen.

Gelaagde leerprocessen binnen de RJJI

Een belangrijke vorm waar de ontwerpers op uitkwamen bestond uit thematische “Educatieve Boxen” waar de jongeren zelfstandig mee aan de slag konden. Het tastbare en zorgvuldige ontwerp maakte deze boxen praktisch en aantrekkelijk. Ze maakten daarnaast ook de fysieke en metaforische muren voelbaar die de leer- en ontwikkelkansen van jongeren in detentie beperken. Muren die niet alleen om de jeugdgevangenis zelf heen staan, maar ook tussen allerlei werkprocessen, expertises en betrokken organisaties. Om echt leren en ontwikkelen mogelijk te maken voor de doelgroep, is meer nodig dan goede boxinhoud en vorm. Echte leerkansen vereisen bewuste en integrale samenwerking binnen en tussen de structuren en systeemlagen om de jongeren en directe medewerkers heen. Hoewel het lukte om met behulp van de boxen de eerste twee leerniveaus (de jongeren en de direct bij hen betrokken medewerkers) in beweging te krijgen, lukte dit niet op de niveaus van organisatie, werkveld en samenleving.

Ruimte maken voor structureel leren

Het is natuurlijk niet realistisch om van een relatief klein ontwerpteam te verwachten dat het de cultuur en praktijk van een heel werkveld diepgaand weet te veranderen met behulp van een bescheiden project. Zo’n proces vraagt om een lange adem en een samenhangend portfolio van elkaar versterkende interventies en beiden waren in deze context (nog) niet beschikbaar. Tijd en middelen waren beperkt en er was bovendien haast bij tastbare deliverables en meetbare resultaten. Dat beperkte de potentie van de boxen om te functioneren als drager en versneller van diepere leerprocessen. Dat is jammer omdat de manier waarop de boxen bestaande knelpunten in de samenwerking inzichtelijk en voelbaar maakten, daar juist veel handvatten voor bood.

Dit was één van de eerste ontwerpende projecten in deze organisatie, waardoor er nog geen kapstok was om de leerpotentie in op te hangen. In die context kregen kwantitatieve resultaten – zoals hoeveelheid thema’s, aantallen boxen, gebruikers en gebruiksfrequentie – de overhand als succesindicatoren en in de implementatielogica. De meeste energie en aandacht werd gericht op het werkend krijgen van de nieuwe vorm in het bestaande systeem. Maar vorm op zich is tamelijk machteloos zonder de onderliggende leerprocessen waaraan zij bij kan dragen. Nu werd het gebruik van de boxen onbedoeld te veel een doel op zich en ontstond er een focus op implementatieprocessen door teams die daar niet altijd het belang van inzagen noch de ruimte of prioriteit voor voelden.

foto door Marieke Odekerken

Gelaagde en verbonden leerprocessen

Dat kwam mede omdat de ontwerpopdracht was ingestoken op het niveau van het leerproces van de jongeren in de afgebakende context van kamertijd. Dit was echter niet het leerniveau waar het onderliggende vraagstuk van de pedagogische opdracht in wortelt. Als we van het begin af aan duidelijker in beeld hadden gehad welke leerprocessen op welke systeemniveaus belangrijk waren voor die diepere vraag, had dat ook het leerproces op die andere systeemlagen in beweging kunnen zetten. Natuurlijk zou ook dan “het probleem” niet “gefixt” zijn. Jongeren zouden zich niet opeens optimaal gaan ontwikkelen tijdens kamertijd, personeelstekorten zouden niet als sneeuw voor de zon verdwijnen en de inherente frictie tussen straffen en leren zou niet plotsklaps zijn opgeheven. Wel had de ontworpen vorm dan haar kracht als drager en versneller van leren op de systeemlagen van organisatie en werkveld beter kunnen waarmaken. 

Strategisch leren op meerdere verbonden lagen tegelijk vraagt om een mate van ruimte en vertrouwen die zeldzaam is in organisaties. Steeds meer publieke organisaties raken – mede dankzij PONT – geïnteresseerd in het benutten van een ontwerpende aanpak in complexe vraagstukken. Maar dat in de opdrachtverlening voor dergelijke projecten ook ruim baan gemaakt moet worden voor de diepere leervraag – die vaak dynamisch en onvoorspelbaar is – is nog lang niet vanzelfsprekend. Een dergelijke manier van werken vraagt bovendien veel uithoudingsvermogen, schakelen en ambitie om in een ontwerpproces dit gelaagde en verbonden leren in beweging te krijgen. Maar zonder dat kan de beoogde verandering niet wortelen en blijft de impact van ontwerp onnodig bescheiden. 

Leren helpt navigeren 

Om de potentiële leerprocessen op die diepere systeemniveaus in beeld te brengen, werkten we in dit project in een laat stadium alsnog aan een meer gelaagde en op leren gerichte ontwerprationale. Dat hielp om in de eigen analyse en de communicatie richting besluitvormers soepeler te schakelen tussen de diverse leerlagen, middelen (de educatieve boxen, kamergeschikt aanbod) en doelen (vergroten ontwikkelkansen jongeren). Hierbij hoorde ook dat we ruimte maakten voor op leren gerichte indicatoren om beter te kunnen volgen wat goed ging en welke ontwikkelkansen meer aandacht nodig hadden. In deze benadering keken we vooral naar verandering in gedrag van de jongeren en medewerkers en in de manier waarop door hen over de boxen gesproken werd. Verschuivingen in gedrag en narratieven bieden namelijk waardevolle informatie over leerprocessen op diverse systeemlagen.

De vraag “doen we het goed?” wordt in organisaties en teams veel makkelijker gesteld dan de minstens even relevante vraag “doen we het goede?”.

Hoewel leren helpt navigeren in complexiteit komt dit navigatie-instrument zonder gebruiksaanwijzing en vraagt het steeds opnieuw om maatwerk, bewustzijn en reflectie-lef. De vraag “doen we het goed?” wordt in organisaties en teams veel makkelijker gesteld dan de minstens even relevante vraag “doen we het goede?”. Ik heb persoonlijk ook nog veel te leren in het helpen bouwen van de leerinfrastructuren, het benodigde mandaat en het uitlichten van de juiste leervraag. Vaak mopper ik dan ook op het inadequate lichtbundeltje dat ik zelf meedraag. Het kan soms maar zo’n klein stukje van de grotere leervraag bijschijnen en het licht dreigt elke keer overschaduwd te worden door de waan van de dag, politiek-ambtelijke resultatendruk en de hang naar tastbare “deliverables” die de behoefte aan grip en verantwoording voeden.

Waar het licht is

Maar als de zoektocht vastloopt is het nodig dat iemand de rust en moed helpt vinden om even op te houden met graven. “Waar heb je ze eigenlijk voor het laatst gehad?” vraagt mijn buurvrouw nadat we al een minuut of 5 aan het zoeken zijn. Ik wil als een hedendaagse Nasroeddin antwoorden dat ik ze voor het laatst binnen in huis gezien had maar hier stond te zoeken, omdat binnen geen buurvrouw met lampje was. Maar nog voordat ik iets kan zeggen openbaart de prozaïsche werkelijkheid zich omdat mijn buurvrouw haar telefoon even niet meer op mijn rugzak richt maar op de omgeving om ons heen. Verrast en enigszins beschaamd zie ik hoe het licht wordt gereflecteerd door iets metaligs dat half uit het sleutelgat van mijn schuurtje steekt.